dinsdag 14 augustus 2012

Uitspraak Kort geding Micha Kat



Micha Kat liet vandaag rond 20:00 uur aan iedereen weten dat hij nog niks had gehoord. Hij was niet naar de zitting geweest/gebracht voor de uitspraak en verwachtte dat de uitspraak van het KG via een fax zou worden meegedeeld aan zijn advocaat. Micha gaat er vooralsnog vanuit dat de uitspraak negatief uitgevallen is en dat hij tenminste tot 10 september zal moeten blijven waar hij zit. Hij dankt wel iedereen nog eens voor de getoonde belangstelling en voor de post die hij vandaag allemaal weer mocht ontvangen. Inmiddels heeft JDTV het vonnis in handen. Het is hier onder te lezen.
Met dank aan de afdeling publieksvoorlichting van de rechtbank Den Haag die ons dit vonnis afgelopen middag rond 16:00 uur toezond. 
vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 423756 / KG ZA 12-759

Vonnis in kort geding van 14 augustus 2012


in de zaak van

[eiser],
thans verblijvende in de [Penitentiaire Inrichting],
eiser,
advocaat mr. J. Breeveld te Amsterdam,

tegen:
de Staat der Nederlanden,
(Ministerie van Veiligheid en Justitie),
zetelende te ’s-Gravenhage,
gedaagde,
advocaat mr. A.Th. M. ten Broeke te ’s-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 7 augustus 2012 wordt in dit
geding van het volgende uitgegaan.

1.1. [eiser] is op 24 april 2012 aangehouden in verband met een meervoudige
verdenking van bedreiging met een misdrijf, opruiing, laster, smaadschrift, eenvoudige
belediging, belediging wegens ras en/of godsdienst en belaging. Op 27 april 2012 is de
inbewaringstelling van [eiser] gevorderd. Deze vordering is op diezelfde dag toegewezen op
de gronden vluchtgevaar en herhalingsgevaar en [eiser] is die dag in bewaring gesteld.

1.2. Op vordering van de officier van justitie van 7 mei 2012 is op 9 mei 2012 de gevangenhouding van [eiser] voor de duur van 90 dagen bevolen. Hierbij is overwogen dat
voormelde verdenking en de bezwaren en gronden, die tot het bevel tot bewaring van [eiser]
hebben geleid, op dat moment nog bestonden. Op diezelfde datum is de voorlopige
hechtenis van [eiser] op zijn verzoek geschorst met ingang van 10 mei 2012. Aan de
schorsing zijn zowel algemene als bijzondere voorwaarden verbonden. Drie van de (in totaal
acht) bijzondere voorwaarden luiden als volgt:

[De rechtbank beveelt de schorsing van de voorlopige hechtenis van voormelde verdachte met ingang
van : 10 mei 2012 (…) onder de bijzondere voorwaarden:]
(…)
‘6. dat verdachte zal verblijven op het adres [adres];
(…)
8. dat verdachte van iedere adreswijziging binnen Nederland tevoren zal kennis geven aan de officier
van justitie;
9. dat verdachte zich zal houden aan zijn toezegging om geen uitlatingen en publicaties te doen via
www.klokkenluideronline.nl of soortgelijke internetsites;’
(…)

1.3. Op 13 juni 2012 is [eiser] op last van de officier van justitie aangehouden op
verdenking van overtreding van deze bijzondere schorsingsvoorwaarden. Op 14 juni 2012
heeft de officier van justitie bij deze rechtbank een vordering tot opheffing van de schorsing
van de voorlopige hechtenis ingediend. Aan deze vordering is ten grondslag gelegd dat
[eiser] zich niet heeft gehouden aan voormelde bijzondere schorsingsvoorwaarden. De
vordering is op diezelfde datum toegewezen, waarbij de verdere tenuitvoerlegging van de
gevangenhouding is gelast. In de beschikking is – kort gezegd – geoordeeld dat voormelde
voorwaarden zijn overtreden, waaraan is toegevoegd:
(…)
‘Nu de inhoud van de gepubliceerde uitlatingen en publicaties in lijn is met de redenen waarom ten
aanzien van verdachte voorlopige hechtenis is bevolen, is de raadkamer van oordeel dat deze
overtreding voldoende zwaarwegend is om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.’
(…)
Het bevel tot gevangenhouding expireert op 13 september 2012.

1.4. [eiser] is gedagvaard om op 10 september 2012 te verschijnen ter terechtzitting van
de meervoudige strafkamer van deze rechtbank.

2. Het geschil

2.1. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven –
I. zijn voorlopige hechtenis (voorlopig) op te heffen, althans de tenuitvoerlegging
daarvan (voorlopig) te schorsen;
II. de Staat te gebieden de tenuitvoerlegging van zijn voorlopige hechtenis te
staken en hem binnen twee uur na betekening van dit vonnis in vrijheid te
stellen, op straffe van een dwangsom.

2.2. Daartoe voert [eiser] onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende aan. De
voorwaarde vermeld onder 9. (hierna: de voorwaarde), waarop de beslissing tot opheffing
van de schorsing in doorslaggevende mate is gebaseerd, is onrechtmatig. Deze voorwaarde
is in strijd met het recht en meer in het bijzonder met artikel 7 van de Grondwet en artikel
10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De rechter is
weliswaar in beginsel vrij bijzondere voorwaarden te stellen maar er mag hierbij geen
sprake zijn van een ongeoorloofde inbreuk op de grondwettelijk en verdragsrechtelijk
beschermde grondrechten van [eiser]. Daarvan is in dit geval wel sprake, omdat er een
fundamentele inbreuk wordt gemaakt op de vrijheid van meningsuiting, in het bijzonder op
de persvrijheid. Vanwege de onrechtmatigheid van de voorwaarde is de beslissing tot
opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis onrechtmatig.
De voorzieningenrechter is bevoegd over de vordering te oordelen, omdat er geen
rechtsmiddel openstaat tegen de opheffing van de voorlopige hechtenis en evenmin tegen de
indirecte afwijzing van het mondelinge verzoek tot wijziging van de
schorsingsvoorwaarden. Een nieuw verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis heeft
om verscheidene redenen weinig kans van slagen dan wel biedt onvoldoende waarborgen.
[eiser] heeft derhalve geen daadwerkelijk rechtsmiddel meer en dat is in strijd met artikel 13
EVRM. [eiser] verwijst in dit kader nog naar de zeer bijzondere omstandigheden van deze
zaak.

2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden
besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. De Staat heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [eiser] niet in zijn
vorderingen kan worden ontvangen, omdat hiervoor een met voldoende waarborgen
omklede rechtsgang openstaat en het ter discussie stellen van de juistheid van de rechterlijke
beslissing tot opheffing van de schorsing onverenigbaar is met het gesloten stelsel van
rechtsmiddelen.

3.2. De voorzieningenrechter stelt voor wat betreft zijn bevoegdheid het volgende
voorop. Het stelsel van strafrechtelijke rechtsmiddelen is een gesloten stelsel. Dit betekent
dat een strafrechtelijke beslissing alleen kan worden aangevochten als de strafwet daartoe de
mogelijkheden biedt (HR 15 februari 2000, NJ 2000, 500). De juistheid van een beslissing
kan derhalve niet in een civiele procedure worden aangevochten (HR 16 oktober 1987,
NJ 1988, 841). Voor wat betreft de rol van de kortgedingrechter als restrechter heeft te
gelden dat de aanwijzing van de strafrechter als bevoegde rechter of van een speciale
strafrechtelijke rechtsgang de kortgedingrechter niet onbevoegd maakt. Een eiser dient
echter in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard wanneer de aangewezen
rechter of rechtsgang voldoende rechtsbescherming biedt. Hiertoe wordt vereist dat in
spoedeisende gevallen een met voldoende waarborgen omklede snelle rechtsgang openstaat
waarin de eiser een met het kort geding vergelijkbaar resultaat kan bereiken (HR 16 maart
1990, NJ 1990, 500).

3.3. [eiser] stelt zich onder meer op het standpunt dat hij ontvankelijk is in zijn
vorderingen omdat er geen hoger beroep openstaat tegen de beslissing tot opheffing van de
schorsing van de voorlopige hechtenis noch tegen zijn mondelinge verzoek ter zitting tot
wijziging van de schorsingsvoorwaarden. Het is echter een keuze van de wetgever geweest
om in dit kader hoger beroep uit te sluiten. Een dergelijke keuze brengt niet met zich dat de
voorzieningenrechter alsdan in plaats van de appelrechter bevoegd is de juistheid van de
beslissing van de rechtbank te toetsen. Het gesloten stelsel van strafrechtelijke
rechtsmiddelen brengt derhalve met zich dat [eiser] niet in zijn vorderingen (die alle
neerkomen op een verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis
wegens de onrechtmatigheid van de opheffing van de schorsing) kan worden ontvangen.

3.4. Overigens biedt het strafrechtelijke systeem wel de mogelijkheid om een verzoek in
te dienen om de voorlopige hechtenis opnieuw te schorsen (artikel 80 van het Wetboek van
Strafvordering, hierna Sv). Die mogelijkheid staat ook [eiser] ten dienste. Ditzelfde geldt
voor de primair door [eiser] gevorderde opheffing van de voorlopige hechtenis (artikel 69
Sv), hetgeen door hem overigens nog niet eerder is verzocht. Met die procedures kan [eiser]
het resultaat bereiken dat hij in deze procedure ook voorstaat, namelijk opheffing dan wel
schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechtsgang in beide procedures is met voldoende
waarborgen omkleed en deze is specifiek ontworpen voor de behandeling van verzoeken tot
opheffing dan wel schorsing. Het betreft procedures waarin op korte termijn kan worden beslist, zo blijkt ook uit de schorsing van de voorlopige hechtenis op 9 mei 2012. Gesteld
noch gebleken is dat dit thans anders zou zijn.

3.5. De voorzieningenrechter vermag hierbij niet in te zien waarom de (straf)rechter bij
een schorsingsverzoek een door [eiser] gestelde schending van zijn grondrechten en de
onrechtmatigheid van voorwaarden niet in zijn beoordeling kan of zal betrekken. Ook de
andere bijzondere omstandigheden, waarvan volgens [eiser] in zijn situatie sprake is,
kunnen in deze procedure aan de orde worden gesteld en door de betreffende rechter bij de
beoordeling van het schorsingsverzoek in aanmerking worden genomen. Bijzondere
omstandigheden die niet door de strafrechter in zijn beoordeling kunnen worden
meegenomen, zijn gesteld noch gebleken. De door [eiser] gestelde omstandigheid dat de
rechter die de opheffing van de schorsing heeft behandeld de voorwaarden niet heeft
gewijzigd ondanks een verzoek daartoe (hetgeen overigens niet uit de beslissing van 14 juni
2012 blijkt) kan niet leiden tot de conclusie dat [eiser] bij een nieuw schorsingsverzoek een
oneerlijk proces krijgt, zoals [eiser] stelt. Een dergelijk mondeling verzoek tijdens de
mondelinge behandeling van het opheffingsverzoek kan ook niet worden aangemerkt als een
nieuw verzoek tot schorsing. Een dergelijk verzoek kan alsnog op grond van artikel 80 Sv
worden gedaan.

3.6. Het vorenstaande leidt ertoe dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard
in zijn vorderingen.

3.7. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten
van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat
begroot op € 1.391,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 575,-- aan griffierecht;
- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus
2012.

3 opmerkingen:

  1. artikel 69 en 80 bieden alleen gelegenheid tot gehoord te worden (publiek circus) bij een eerste verzoek of behandeling, daarmee veroorzaak je geen bosbrand. het ging dus nergens over, verspilling van middelen, welke rationele procespartij doet dat als die een tekort aan middelen heeft?

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Op Inovatingjustice.com een interview het lezen waard.

    Digging deeper we learned that on the political level there is hardly any time to deal with broad, long-term strategic ‘legal system issues’. Occasionally ministers might make time for that, but they are generally caught up in the day-to-day politics of running the country and the Ministry. So, the secretary-general of the ministry, strategises, provided he or she stays within the parameters that the political bosses set.
    Does parliament strategise on legal systems? Formally, parliament is the lawmaker. In spite of that, it does not, or rarely seems to be, the case. Here too, the political weather of the day, week, month, of maybe year, determines much of what happens. No looking 10 years ahead. There is of course, one all-determining moment when parliament strategises, and that is when it adopts, amends, or refuses to amend a constitution. But, again, that’s a rare bird: the last time that happened, one often hears in The Netherlands, was 1848.

    Private actors of all sorts have become more important. Also in political and diplomatic terms, private actors make their presence felt, sometimes complicating the work of national governments in international and domestic affairs.

    Elders is een slideshow Law of the Future Forum, Rule of Law in a globalising World te vinden met een presentatie van kernpunten van (wat) global policy (zou kunnen zijn). De tekst behoudens de pagina’s die beschrijven of hoe Rechtbanken hun werk zouden moeten doen:

    Rule of law is now shaped in a complex relationship between the national and the international levels, which can both hold each other hostage and reinforce each other. By creating standards to measure what we are actually trying to achieve with rule of law we might be able to more effectively shape rule of law in a global environment. Private regulation should be considered more as a complement or a pre-stage of public regulation.
    Norm-setting by public actors outside formal institutions and frameworks is increasing.

    Aldus naar de aan de Secretary-General Dutch Ministry of Security and Justice, Acting Chair of the Hiil Supervisory Board toegeschreven woorden.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Ik heb een boodschap in de vorm van een verwijt bij het bestuur van de Rechtbank en bij de verdediging neergelegd, in het uitdrukkelijk vertrouwen dat wij het over grondbeginselen van het recht eens zullen zijn.

    Voor de duidelijkheid heb ik het begrip schijnproces uitgelegd zoals ik die gebruik:

    'Er is voor mij sprake van schijn voor het publiek of toeschouwer als die ondanks eigen waarneming en niet als gevolg van horen zeggen een beeld krijgt die niet overeenkomt met de werkelijkheid.

    Voorbeeld: De Secretaris Generaal van Justitie is niet zonder gedachten als het gaat om de inzet van actoren niet verbonden aan een publiek lichaam of netwerk met doel wetgeving te vormen.
    Bronnen; http://www.innovatingjustice.com/blogs/who-strategises
    http://www.slideshare.net/HiiL/lotf2011-joris-demmink-opening-forum

    En ongeacht welke de mijne zijn over die inzet, wie toetst of van het gebruik van actoren sprake is; dit fenomeen is nog nauwelijks verder beschreven in de literatuur. Vandaag wordt het begrip 'proef proces' nog steeds gebruikt, los van de mogelijkheid van een bepaald soort actoor.

    En voor de duidelijkheid hier; een actor of actoor is niet perse een acteur, en niet perse een betaalde acteur; die acteert om een of andere reden in elk geval voorspelbaar en herkenbaar.

    BeantwoordenVerwijderen